'Schoon' in de Bijbel
Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen.
Zie, gij zijt schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede.
Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van den berg Gileads afscheren.
Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.
Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer olien dan alle specerijen!
Gij zijt schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren.
Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren?
Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, gij prinsendochter! de omdraaiingen uwer heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.
Hoe schoon zijt gij, en hoe liefelijk zijt gij, o liefde, in wellusten!
Verwante onderwerpen
- De Schoonheid Van De Natuur
- De Schoonheid Van Vrouwen
- De Tijdelijke Aard Van Schoonheid
- Geen Schoonheid
- Innerlijke Schoonheid
- Mooi
- Mooie Vrouwen
- Schoonbroers