'Werk' in de Bijbel
In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis.
Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broederen, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten.
Toen hield het werk op van het huis Gods, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, den koning van Perzie.
Den koning zij bekend, dat wij getogen zijn naar het landschap Juda, ten huize des groten Gods, hetwelk gebouwd wordt met grote stenen, en het hout wordt gelegd in de wanden; en datzelve werk wordt ras gedaan, en gaat voorspoediglijk door hun handen voort.
Maar des volks is veel, en het is een tijd van plasregen, dat men hier buiten niet staan kan; en het is geen werk van een dag noch van twee; want velen onzer hebben overtreden in deze zaak.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (5)
- Exodus (54)
- Leviticus (8)
- Numberi (5)
- Deuteronomium (15)
- Jozua (1)
- Richteren (5)
- 1 Samuël (1)
- 1 Koningen (13)
- 2 Koningen (7)
- 1 Kronieken (18)
- 2 Kronieken (20)
- Ezra (5)
- Nehemia (18)
- Esther (2)
- Job (8)
- Psalmen (18)
- Spreuken (11)
- Prediker (13)
- Hooglied (1)
- Jesaja (19)
- Jeremia (16)
- Klaagliederen (2)
- Ezechiël (8)
- Daniël (1)
- Hosea (1)
- Jona (1)
- Micha (2)
- Habakuk (3)