'Onder' in de Bijbel
- 1.Genesis 1:7-Numberi 1:47
- 2.Numberi 1:49-Jozua 13:5
- 3.Jozua 14:3-1 Koningen 7:30
- 4.1 Koningen 7:32-Esther 9:28
- 5.Job 1:16-Psalmen 140:3
- 6.Spreuken 1:14-Jeremia 5:26
- 7.Jeremia 6:15-Ezechiël 36:19
- 8.Ezechiël 36:21-Markus 9:10
- 9.Markus 9:33-Handelingen 27:7
- 10.Handelingen 27:16-1 Timotheüs 1:20
- 11.1 Timotheüs 3:16-Openbaring 12:1
Want aan de twee stammen en den halven stam had Mozes een erfdeel gegeven op gene zijde van de Jordaan; maar aan de Levieten had hij geen erfdeel onder hen gegeven.
De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-Arba, die een groot mens geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van den krijg.
En zij verdreven de Kanaanieten niet, die te Gezer woonden; alzo woonden die Kanaanieten in het midden der Efraimieten tot op dezen dag; maar zij waren onder schatting dienende.
En er bleven over onder de kinderen Israels, aan dewelken zij hun erfdeel niet uitgedeeld hadden, zeven stammen.
Het erfdeel der kinderen van Simeon is onder het snoer der kinderen van Juda; want het erfdeel der kinderen van Juda was te groot voor hen; daarom erfden de kinderen van Simeon in het midden van hun erfdeel.
Een enig man onder u zal er duizend jagen; want het is de HEERE, uw God, Zelf, Die voor u strijdt, gelijk al Hij tot u gesproken heeft.
Want de HEERE is onze God; Hij is het, Die ons en onze vaderen uit het land van Egypte, uit het diensthuis heeft opgebracht, en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op al den weg, door welken wij getogen zijn, en onder alle volken, door welker midden wij getrokken zijn.
En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een groten steen, en hij richtte dien daar op onder den eik, die bij het heiligdom des HEEREN was.
En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israels den HEERE vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaanieten, om tegen hen te krijgen?
Toen zeide Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf aldaar.
En Ehud maakte zich een zwaard, dat twee scherpten had, welks lengte een el was; en hij gordde dat onder zijn klederen, aan zijn rechterheup.
Alzo werd Moab te dien dage onder Israels hand ten ondergebracht; en het land was stil tachtig jaren.
En zij woonde onder den palmboom van Debora, tussen Rama en tussen Beth-El, op het gebergte van Efraim; en de kinderen Israels gingen op tot haar ten gerichte.
Verkoos hij nieuwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of een spies, onder veertig duizend in Israel?
Mijn hart is tot wetgevers van Israel, die zich gewillig aangeboden hebben onder het volk; looft den HEERE!
Toen deed Hij de overgeblevenen heersen over de heerlijken onder het volk; de HEERE doet mij heersen over de geweldigen.
Uit Efraim was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit Machir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebulon, trekkende door den staf des schrijvers.
Toen kwam een Engel des HEEREN, en zette Zich onder den eik, die te Ofra is, welke aan Joas, den Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht der Midianieten.
En Gideon ging in, en bereidde een geitenbokje, en ongezuurde koeken van een efa meels; het vlees legde hij in een korf, en het sop deed hij in een pot; en hij bracht het tot Hem uit, tot onder den eik, en zette het nader.
Alzo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon.
En de doornenbos zeide tot de bomen: Indien gij mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar indien niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon.
En het geschiedde, als hij haar zag, zo verscheurde hij zijn klederen, en zeide: Ach, mijn dochter! gij hebt mij ganselijk nedergebogen, en gij zijt onder degenen, die mij beroeren; want ik heb mijn mond opengedaan tot den HEERE, en ik zal niet kunnen teruggaan.
Maar zijn vader zeide tot hem, mitsgaders zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochteren uwer broeders, en onder al mijn volk, dat gij heengaat, om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zeide tot zijn vader: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen.
In die dagen was er geen koning in Israel; en in dezelve dagen zocht de stam der Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op dien dag onder de stammen van Israel niet genoegzaam ter erfenis toegevallen.
Alzo stelden zij onder zich het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, al de dagen, dat het huis Gods te Silo was.
Alzo togen zij voort, en wandelden; en de zon ging hun onder bij Gibea, dewelke Benjamins is;
En de stammen van Israel zonden mannen door den gansen stam van Benjamin, zeggende: Wat voor een kwaad is dit, dat onder ulieden geschied is?
Onder al dit volk waren zevenhonderd uitgelezene mannen, welke links waren; deze allen slingerden met een steen op een haar, dat het hun niet miste.
En de kinderen Israels maakten zich op, en togen opwaarts ten huize Gods, en vraagden God, en zeiden: Wie zal onder ons vooreerst optrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin? En de HEERE zeide: Juda vooreerst.
Toen keerden zij zich, en vloden naar de woestijn, tot den rotssteen van Rimmon; maar zij deden een nalezing onder hen op de straten, van vijf duizend man; voorts kleefden zij hen achteraan tot aan Gideom, en sloegen van hen twee duizend man.
En zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead vierhonderd jonge dochters, die maagden waren, die geen man bekend hadden in bijligging des mans; en zij brachten die in het leger te Silo, dewelke is in het land Kanaan.
De HEERE vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van den HEERE, den God Israels, onder wiens vleugelen gij gekomen zijt om toevlucht te nemen!
Toen antwoordde hij, die de boodschap bracht, en zeide: Israel is gevloden voor het aangezicht der Filistijnen, en er is ook een grote nederlaag onder het volk geschied; daarenboven zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven, en de ark Gods is genomen.
Ook gouden muizen, naar het getal van alle steden der Filistijnen, onder de vijf vorsten, van de vaste steden af tot aan de landvlekken; en tot aan Abel, den groten steen, op denwelken zij de ark des HEEREN nedergesteld hadden, die tot op dezen dag is op den akker van Jozua, den Beth-semiet.
En de Heere sloeg onder die lieden van Beth-Semes, omdat zij in de ark des HEEREN gezien hadden; ja, Hij sloeg van het volk zeventig mannen, en vijftig duizend mannen. Toen bedreef het volk rouw, omdat de HEERE een groten slag onder het volk geslagen had.
En de mannen van Israel togen uit van Mizpa, en vervolgden de Filistijnen, en zij sloegen hen tot onder Beth-kar.
Die had een zoon, wiens naam was Saul, een jongeman, en schoon, ja, er was geen schoner man dan hij onder de kinderen Israels; van zijn schouderen en opwaarts was hij hoger dan al het volk.
En het geschiedde, als een iegelijk, die hem van te voren gekend had, zag, dat hij, ziet, profeteerde met de profeten, zo zeide het volk, een ieder tot zijn metgezel: Wat is dit, dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul ook onder de profeten?
Toen antwoordde een man van daar, en zeide: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul ook onder de profeten?
Toen zeide Samuel tot het ganse volk: Ziet gij, dien de HEERE verkoren heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het ganse volk. Toen juichte het ganse volk, en zij zeiden: de koning leve!
Het geschiedde nu des anderen daags, dat Saul het volk stelde in drie hopen, en zij kwamen in het midden des legers, in de morgenwake, en zij sloegen Ammon, totdat de dag heet werd; en het geschiedde, dat de overigen alzo verstrooid werden, dat er onder hen geen twee te zamen bleven.
Saul nu zat aan het uiterste van Gibea onder den granatenboom, die te Migron was; en het volk, dat bij hem was, was omtrent zeshonderd man.
En er was een beving in het leger, op het veld en onder het ganse volk; de bezetting en de verdervers beefden ook zelven; ja, het land werd beroerd, want het was een beving Gods.
Verder sprak Saul: Verstrooit u onder het volk, en zegt tot hen: Brengt tot mij een iegelijk zijn os, en een iegelijk zijn schaap, en slacht het hier, en eet, en bezondigt u niet aan den HEERE, die etende met het bloed. Toen bracht al het volk een iegelijk zijn os met zijn hand, des nachts, en slachtte ze aldaar.
Daarna zeide Saul: Laat ons aftrekken de Filistijnen na, bij nacht, en laat ons dezelve beroven, totdat het morgen licht worde, en laat ons niet een man onder hen overig laten. Zij nu zeiden: Doe al wat goed is in uw ogen; maar de priester zeide: Laat ons herwaarts tot God naderen.
Maar Samuel zeide: Gelijk als uw zwaard de vrouwen van haar kinderen beroofd heeft, alzo zal uw moeder van haar kinderen beroofd worden onder de vrouwen. Toen hieuw Samuel Agag in stukken, voor het aangezicht des HEEREN te Gilgal.
Toen zeide de HEERE tot Samuel: Hoe lang draagt gij leed om Saul, dien Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israel? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isai, den Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien.
Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israel, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome.
David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isai, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.
David nu liet de vaten van zich, onder de hand van den bewaarder der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijn broederen naar hun welstand.
Als Eliab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.
Toen maakte zich David op, en hij en zijn mannen gingen heen, en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hun voorhuiden, en men leverde ze den koning volkomenlijk, opdat hij schoonzoon des konings worden zou. Toen gaf Saul hem zijn dochter Michal ter vrouw.
En hij toog zelf ook zijn klederen uit, en hij profeteerde zelf ook, voor het aangezicht van Samuel; en hij viel bloot neder dienzelfden gansen dag, en den gansen nacht. Daarom zegt men: Is Saul ook onder de profeten?
En nu wat is er onder uw hand? Geef mij vijf broden in mijn hand, of wat er gevonden wordt.
En de priester antwoordde David, en zeide: Er is geen gemeen brood onder mijn hand; maar er is heilig brood, wanneer zich de jongelingen slechts van de vrouw onthouden hebben.
Daar was nu een man van de knechten van Saul, te dienzelven dage opgehouden voor het aangezicht des HEEREN, en zijn naam was Doeg, een Edomiet, de machtigste onder de herderen, die Saul had.
En David zeide tot Achimelech: Is hier onder uw hand geen spies of zwaard? Want ik heb noch mijn zwaard noch ook mijn wapenen in mijn hand genomen, dewijl de zaak des konings haastig was.
Daarom veranderde hij zijn gelaat voor hun ogen, en hij maakte zichzelven gek onder hun handen; en hij bekrabbelde de deuren der poort, en hij liet zijn zever in zijn baard aflopen.
En Saul hoorde, dat David bekend geworden was, en de mannen, die bij hem waren. Saul nu zat op een heuvel onder het geboomte te Rama, en hij had zijn spies in zijn hand, en al zijn knechten stonden bij hem.
Dat gij u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isai; en niemand is onder ulieden, dien het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt, tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.
En Achimelech antwoordde den koning en zeide: Wie is toch onder al uw knechten getrouw als David, en des konings schoonzoon, en voortgaande in uw gehoorzaamheid, en is eerlijk in uw huis?
Alzo toog David en zijn mannen naar Kehila, en hij streed tegen de Filistijnen, en dreef hun vee weg, en hij sloeg onder hen een groten slag; alzo verloste David de inwoners van Kehila.
Daarom ziet toe, en verneemt naar alle schuilplaatsen, in dewelke hij schuilt; komt dan weder tot mij met vast bescheid, zo zal ik met ulieden gaan; en het zal geschieden, zo hij in het land is, zo zal ik hem naspeuren onder alle duizenden van Juda.
En onder hen werd niet gemist van den kleinste tot aan den grootste, en tot aan de zonen en dochteren; en van den buit, ook tot alles, wat zij van hen genomen hadden; David bracht het altemaal weder.
Toen antwoordde een ieder boos en Belials man onder de mannen, die met David getogen waren, en zij zeiden: Omdat zij met ons niet getogen zijn, zullen wij hun van den buit, dien wij gered hebben, niet geven, maar aan een iegelijk zijn vrouw en zijn kinderen; laat hen die heenleiden, en weggaan.
En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden, en onder het volk.
En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.
Maar Joab en Abisai jaagden Abner achterna; en de zon ging onder, als zij gekomen waren tot den heuvel van Amma, dewelke is voor Giach, op den weg der woestijn van Gibeon.
Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven.
En het geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam Meteg-Amma uit der Filistijnen hand.
En het overige des volks gaf hij onder de hand van zijn broeder Abisai, die het in orde stelde tegen de kinderen Ammons aan.
Het volk nu, dat daarin was, voerde hij uit, en legde het onder zagen, en onder ijzeren dorswagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door den ticheloven doorgaan; en alzo deed hij aan alle steden der kinderen Ammons. Daarna keerde David, en al het volk, weder naar Jeruzalem.
Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitofel is onder degenen, die zich met Absalom hebben verbonden. Dies zeide David: O, HEERE! maak toch Achitofels raad tot zotheid.
Toen zeide Absalom tot Achitofel: Geeft onder ulieden raad, wat zullen wij doen?
Zie, nu heeft hij zich verstoken in een der holen, of in een der plaatsen. En het zal geschieden, als er in het eerst sommigen onder hen vallen, dat een ieder, die het zal horen, alsdan zal zeggen: Er is een slag geschied onder het volk, dat Absalom navolgt.
Voorts zond David het volk uit, een derde deel onder de hand van Joab, en een derde deel onder de hand van Abisai, den zoon van Zeruja, Joabs broeder, en een derde deel onder de hand van Ithai, den Gethiet. En de koning zeide tot het volk: Ik zal ook zelf zekerlijk met ulieden uittrekken.
Absalom nu ontmoette voor het aangezicht der knechten Davids; en Absalom reed op een muildier; en als het muildier kwam onder de dichte takken van een groten eik, zo werd zijn hoofd vast aan den eik, dat hij hangen bleef tussen den hemel en tussen de aarde, en het muildier, dat onder hem was, ging door.
En al het volk, in alle stammen van Israel, was onder zich twistende, zeggende: De koning heeft ons gered van de hand onzer vijanden en hij heeft ons bevrijd van de hand der Filistijnen, en nu is hij uit het land gevlucht voor Absalom;
Want al mijns vaders huis is niet geweest, dan maar lieden des doods voor mijn heer den koning; nochtans hebt gij uw knecht gezet onder degenen, die aan uw tafel eten; wat heb ik dan meer voor gerechtigheid, en meer te roepen aan den koning?
En Hij boog den hemel, en daalde neder; en donkerheid was onder Zijn voeten.
Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld.
En ik verteerde hen, en doorstak ze, dat zij niet weder opstonden; maar zij vielen onder mijn voeten.
Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.
De God, Die mij volkomene wraak geeft, en de volken onder mij nederwerpt;
Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.
En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van Ahohi, deze was onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die aldaar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israel waren opgetogen.
Deze stond op, en sloeg onder de Filistijnen, totdat zijn hand moede werd, ja, zijn hand aan het zwaard kleefde; en de HEERE wrocht een groot heil ten zelven dage; en het volk keerde wederom hem na, alleenlijk om te plunderen.
Abisai, Joabs broeder, de zoon van Zeruja, die was ook een hoofd van drieen; en die hief zijn spies op tegen driehonderd, die van hem verslagen werden; en hij had een naam onder die drie.
Die dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; dies had hij een naam onder de drie helden.
Asahel, Joabs broeder, was onder de dertig; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;
Toen nu de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om haar te verderven, berouwde het den HEERE over dat kwaad, en Hij zeide tot den engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel des HEEREN nu was bij den dorsvloer van Arauna, den Jebusiet.
Maar aan de zonen van Barzillai, den Gileadiet, zult gij weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want alzo naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broeder Absalom.
Zelfs ook wat gij niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, beide rijkdom en eer; dat uws gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal.
En Juda en Israel woonden zeker, een iegelijk onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo.
Ja, hij was wijzer dan alle mensen; dan Ethan, de Ezrahiet, en Heman, en Chalcol, en Darda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder alle heidenen rondom.
Gij weet, dat mijn vader David den Naam des HEEREN, zijns Gods, geen huis kon bouwen, vanwege de oorlogen, waarmede zij hem omsingelden, totdat de HEERE hen onder zijn voetzolen gaf.
Zo gebied nu, dat men mij cederen uit den Libanon houwe, en mijn knechten zullen met uw knechten zijn, en het loon uwer knechten zal ik u geven, naar al wat gij zeggen zult; want gij weet, dat onder ons niemand is, die weet hout te houwen, gelijk de Sidoniers.
En onder haar rand waren knoppen, dezelve rondom omsingelende, tien in een el, omringende die zee rondom; twee rijen dezer knoppen waren in haar gieting gegoten.
En op de lijsten, die tussen de kransen waren, waren leeuwen, runderen en cherubs; en op de kransen was een voet boven henen; en onder de leeuwen en runderen bijvoegselen van uitgerekt werk.
En een stelling had vier koperen raderen, en koperen platen; en haar vier hoeken hadden schouderen; onder het wasvat waren deze gegoten schouderen ter zijde van ieders bijvoegselen.
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 1:7-Numberi 1:47
- 2.Numberi 1:49-Jozua 13:5
- 3.Jozua 14:3-1 Koningen 7:30
- 4.1 Koningen 7:32-Esther 9:28
- 5.Job 1:16-Psalmen 140:3
- 6.Spreuken 1:14-Jeremia 5:26
- 7.Jeremia 6:15-Ezechiël 36:19
- 8.Ezechiël 36:21-Markus 9:10
- 9.Markus 9:33-Handelingen 27:7
- 10.Handelingen 27:16-1 Timotheüs 1:20
- 11.1 Timotheüs 3:16-Openbaring 12:1
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (31)
- Exodus (41)
- Leviticus (27)
- Numberi (44)
- Deuteronomium (44)
- Jozua (21)
- Richteren (23)
- Ruth (1)
- 1 Samuël (35)
- 2 Samuël (24)
- 1 Koningen (23)
- 2 Koningen (12)
- 1 Kronieken (31)
- 2 Kronieken (25)
- Ezra (6)
- Nehemia (5)
- Esther (7)
- Job (29)
- Psalmen (71)
- Spreuken (11)
- Prediker (33)
- Hooglied (14)
- Jesaja (36)
- Jeremia (47)
- Klaagliederen (10)
- Ezechiël (59)
- Daniël (8)
- Hosea (11)
- Joël (6)
- Amos (7)
- Obadja (3)
- Micha (7)
- Habakuk (2)
- Zefanja (1)
- Zacharia (9)
- Maleachi (6)
- Mattheüs (19)
- Markus (23)
- Lukas (35)
- Johannes (19)
- Handelingen (38)
- Romeinen (31)
- 1 Corinthiërs (21)
- 2 Corinthiër (9)
- Galaten (15)
- Efeziërs (6)
- Filippenzen (3)
- Colossenzen (3)
- 1 Thessalonicenzen (4)
- 2 Thessalonicenzen (3)
- 1 Timotheüs (5)
- 2 Timotheüs (4)
- Hebreeën (6)
- Jakobus (8)
- 1 Petrus (6)
- 2 Petrus (2)
- 3 Johannes (1)
- Judas (2)
- Openbaring (4)
Verwante onderwerpen
- Afgezonderde Personen
- Afzonderen
- Afzondering
- Andere Ondersteuning
- Andere Wonderen
- Anderen Die Tenonder Gingen
- Bewondering
- Bijzondere Dingen
- Bijzondere Individuen
- Bijzondere Reizen
- Broederschap Onder Gelovigen
- Christus Die Onderwijst
- Christus Onderzoekt
- De Aard Van Onderdrukking
- De Aard Van Onderscheidingsvermogen
- De Aard Van Wonderen
- De Bron Van Onderscheidingsvermogen
- De Geest Onderwijst
- De Geschonken Wonderbaarlijke Kracht Van De Apostelen
- De Heiligen, Zonder Overdrijving
- De Onderwerping Van Christus
- De Weg Van God Onderwijzen
- De Wereld Zonder God
- De Wonderbaarlijke Kracht Van De Apostelen
- De Wonderen Van Christus
- De Wonderen Van Elia
- De Wonderen Van Elisha
- De Wonderen Van Joshua
- De Wonderen Van Mozes En Aäron
- De Wonderen Van Paul
- De Wonderen Van Peter
- Dingen Onder
- Donder
- Donder Die Gods Aanwezigheid Aankondigt
- Donder Die Gods Oordeel Aankondigt
- Drie- Tot Negenhonderd Duizend
- Drie- Tot Vierhonderd
- Driehonderd En Meer
- Eerste Onder De Heidenen
- Elementen Van Onderwijs
- Engelenactiviteiten Onder Gelovigen
- Engelenactiviteiten Onder Ongelovigen
- Gebrek Aan Onderscheidingsvermogen
- Geen Onderscheid
- Geven Zonder Verwachtingen
- God Die De Mensheid Ondersteunt
- God Die De Schepping Ondersteunt
- God Die Harten Onderzoekt
- God Is Onder Jullie
- God Ondersteunt
- God Ondersteunt De Aarde
- God Onderwijzen
- God Onderzoekt
- God Zonder Genade
- Gods Houding Tegenover Onderdrukking
- Gods Zaken Onderscheiden
- Haten Zonder Oorzaak
- Heiligheid, Afzonderlijk Voor God
- Het Hart Onderzoeken
- Honderd
- Honderd En Enkelen
- Honderdduizend En Meer
- Honderdvoudige Terugkeer
- Huizen Onder Aanval
- Ijver Zonder Kennis
- Jezus Christus, Zonder Zonden
- Joden Afzonderlijk Van De Heidenen
- Joden Onder Dreiging
- Kerk Onderscheiden Van Israël
- Kinderen In De Wonderen Van Jezus Christus
- Kinderen Onderwijzen
- Kinderen, In Jezus' Wonderen
- Kritiek Onder Gelovigen
- Kwade Geesten Onderscheiden
- Leven Niet Ondersteunen
- Man Die Onderscheidt Maakt
- Man Die Tenondergaat
- Mensen Die Onderwijzen
- Mensen Zonder Genade
- Nummer Tweehonderd
- Onder De Ban
- Onder De Wet
- Onder De Zon
- Onderdak
- Onderdrukken Van Vreemdelingen
- Onderdrukkende Regering
- Onderdrukkers
- Onderdrukking
- Onderdrukking Van De Armen
- Onderdrukt Martelaarschap
- Onderdrukte Heiligen
- Ondergang
- Ondergang
- Ondergang van Israël
- Onderhandeling
- Onderkleding
- Onderschatting
- Onderscheidend
- Onderscheidende Eigenschappen Van Gerechtigheid
- Onderscheidende God
- Onderscheidende Kleding
- Onderscheidingsvermogen
- Onderscheidingsvermogen Van Bestuurders
- Onderscheidingsvermogen van Jezus
- Ondersteboven Keren
- Ondersteuning
- Onderverdelingen
- Ondervragen
- Onderwerpen Aan Autoriteit
- Onderwerpen Aan Gods Wil
- Onderwerping
- Onderwezen Door De Geest
- Onderwijs
- Onderwijs Thuis
- Onderwijs Van De Mens
- Onderwijzen
- Onderwijzen In De Kerk
- Onderwijzende Vaders
- Onderworpen Aan Christus
- Onderworpen Aan Het Kwaad
- Onderworpen Zijn Aan God
- Onderworpen Zijn Aan Mensen
- Onderzoek
- Onderzoeken
- Opscheppen Uitgezonderd
- Periode Van Onderdrukking
- Reacties Op Wonderen
- Rechtvaardiging Onder Het Evangelie
- Spiritueel Leven Onderhouden Door
- Spiritueel Onderscheidinsvermogen
- Spirituele Ondervoeding
- Steden Onder Vuur
- Tekenen En Wonderen Van Het Evangelie
- Tekenen En Wonderen Voor Christus
- Tweehonderd Duizend En Meer
- Tweehonderd En Meer
- Valse Wonderen
- Valse Wonderen
- Verdeling Onder Christenen
- Veronderstelling
- Verwarring Onder De Mensen
- Verwarring Onder De Naties
- Verwonderd Zijn
- Verwondering Over Jezus Christus
- Verwondering over Christus' Daden
- Verwondering over Christus' Mirakelen
- Vier- En Vijfhonderd
- Vier- Tot Vijfhonderd
- Voorbeelden Van Onderdrukking
- Voorbeelden Van Onderwijs
- Vragen Om Onderscheidingsvermogen
- Vreemdelingen Onder De Mensen
- Vreemdelingen Onderworpen
- Wilde Beesten Onderworpen
- Wonderbaarlijke Geboorten
- Wonderbaarlijke Hulp In Nood
- Wonderbaarlijke Tekenen
- Wonderen
- Wonderen Die Gods Boodschap Bevestigen
- Wonderen Die Gods Kracht Tonen
- Wonderen Die Gods Oordeel Brengen
- Wonderen Die Militaire Overwinning Inhouden
- Zelfonderzoek
- Zelfonderzoek
- Zes- Tot Zevenhonderd
- Zeshonderd En Meer
- Zeven- Tot Negenhonderd
- Zij Die Onderdrukt Zijn
- Zij Onderworpen Aan Mensen
- Zitten Om Te Onderwijzen
- Zonder De Wet
- Zonder Gebed
- Zonder God
- Zonder Hoop
- Zonder Kracht
- Zonder Spraak
- Zonder Vrienden
- Zonder Zonde
- Zonsondergang