9 gebeurtenissen in 1 vertaling

'Gingen' in de Bijbel

Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, gingen uit de ark.

En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaan.

Toen namen Sem en Jafeth een kleed, en zij legden het op hun beider schouderen, en gingen achterwaarts, en bedekten de naaktheid huns vaders; en hun aangezichten waren achterwaarts, gekeerd zodat zij de naaktheid huns vaders niet zagen.

VersbegrippenSchoudersBedektHet Lichaam BedekkenZonenAnderen KledenBuitenkledijAchterstevorenMensen Niet ZienVaders

Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des HEEREN.

En Abraham nam het hout des brandoffers, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen.

VersbegrippenAbrahamMessenSamengaanOffers VerbrandenBrandhoutAndere Ladingen Dragen

En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen.

VersbegrippenPaaslamAbrahamGod, De AanbiederSamengaanGod VoorzietSchapen En GeitenVerschaffen

Toen keerde Abraham weder tot zijn jongeren, en zij maakten zich op, en zij gingen samen naar Ber-seba; en Abraham woonde te Ber-seba.

Zij sloegen ook Hemor, en zijn zoon Sichem, dood met de scherpte des zwaards; en zij namen Dina uit Sichems huis, en gingen van daar.

VersbegrippenAndere Mensen Nemen

En zijn broeders gingen heen, om de kudde van hun vader te weiden bij Sichem.

VersbegrippenZij Die Voorraad Hadden

Public domain