'Stad' in de Bijbel
Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;
Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:
Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:
En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.
Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.
Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den mond der goddelozen wordt zij verbroken.
De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding.
Een broeder is wederspanniger dan een sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis.
De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.
Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (33)
- Exodus (2)
- Leviticus (7)
- Numberi (6)
- Deuteronomium (25)
- Jozua (44)
- Richteren (35)
- Ruth (5)
- 1 Samuël (27)
- 2 Samuël (35)
- 1 Koningen (37)
- 2 Koningen (38)
- 1 Kronieken (13)
- 2 Kronieken (33)
- Ezra (9)
- Nehemia (10)
- Esther (9)
- Job (3)
- Psalmen (18)
- Spreuken (13)
- Prediker (5)
- Hooglied (3)
- Jesaja (37)
- Jeremia (70)
- Klaagliederen (6)
- Ezechiël (42)
- Daniël (5)
- Hosea (2)
- Joël (1)
- Amos (7)
- Jona (6)
- Micha (2)
- Habakuk (3)
- Zefanja (2)
- Haggaï (38)
- Zacharia (4)