'Lang' in de Bijbel
De HEERE, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: Gij zijt lang genoeg bij dezen berg gebleven.
De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten.
Een groot, en menigvuldig, en lang volk, als de Enakieten; en de HEERE verdelgde hen voor hun aangezicht, zodat zij hen uit de bezitting verdreven, en aan hunlieder plaats woonden;
Een groot en lang volk, kinderen der Enakieten; die gij kent, en van welke gij gehoord hebt: Wie zou bestaan voor het aangezicht der kinderen van Enak?
En zij zal het kleed harer gevangenis van zich afleggen, en in uw huis zitten, en haar vader en haar moeder een maand lang bewenen; en daarna zult gij tot haar ingaan, en haar man zijn, en zij zal u ter vrouwe zijn.
Wanneer een man een nieuwe vrouw zal genomen hebben, die zal in het heir niet uittrekken, en men zal hem geen last opleggen; een jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis, en zijn vrouw, die hij genomen heeft, verheugen.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (1)
- Exodus (5)
- Leviticus (2)
- Numberi (3)
- Deuteronomium (6)
- Jozua (4)
- Richteren (1)
- Ruth (1)
- 1 Samuël (5)
- 2 Samuël (3)
- 1 Koningen (1)
- 2 Koningen (2)
- 1 Kronieken (2)
- 2 Kronieken (1)
- Nehemia (1)
- Esther (3)
- Job (5)
- Psalmen (18)
- Spreuken (2)
- Jesaja (4)
- Jeremia (9)
- Klaagliederen (1)
- Ezechiël (7)
- Daniël (3)
- Hosea (1)
- Habakuk (1)
- Zacharia (1)