'Was' in de Bijbel
Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;
Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.
Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water;
Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.
Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef;
Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;
En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken.