'Af' in de Bijbel
En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd, en als ten dage, toen zij optoog uit Egypteland.
Ik zal over uw dochteren geen bezoeking doen, omdat zij hoereren, en over uw bruiden, omdat zij overspel doen; want zij zelven scheiden zich af met de hoeren, en offeren met de snoodste hoeren; het volk dan, dat geen verstand heeft zal omgekeerd worden.
Verblijd u niet, o Israel! tot opspringens toe, gelijk de volken; want gij hoereert van uw God af; gij hebt hoerenloon lief, op alle dorsvloeren des korens.
Ik vond Israel als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de eerste vrucht aan den vijgeboom in haar beginsel; maar zij gingen in tot Baal-Peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden gans verfoeilijk naar hun boelerij.
Aangaande Efraim, hunlieder heerlijkheid zal wegvlieden als een vogel; van de geboorte, en van moeders buik, en van de ontvangenis af.
Zij zullen den HEERE achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen.
Maar Ik ben de HEERE, uw God, van Egypteland af; Ik zal u nog in tenten doen wonen, als in de dagen der samenkomst;
Ik ben toch de HEERE, uw God, van Egypteland af; daarom zoudt gij geen God kennen dan Mij alleen, want er is geen Heiland dan Ik.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (32)
- Exodus (31)
- Leviticus (4)
- Numberi (19)
- Deuteronomium (21)
- Jozua (26)
- Richteren (39)
- Ruth (3)
- 1 Samuël (39)
- 2 Samuël (37)
- 1 Koningen (20)
- 2 Koningen (57)
- 1 Kronieken (16)
- 2 Kronieken (35)
- Ezra (7)
- Nehemia (7)
- Esther (4)
- Job (14)
- Psalmen (25)
- Spreuken (16)
- Prediker (5)
- Hooglied (2)
- Jesaja (52)
- Jeremia (33)
- Klaagliederen (3)
- Ezechiël (33)
- Daniël (9)
- Hosea (8)
- Joël (1)
- Amos (2)
- Jona (2)
- Micha (5)
- Nahum (1)
- Habakuk (1)
- Zefanja (1)
- Zacharia (1)
- Maleachi (2)