'Geen' in de Bijbel
Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.
Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?
Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.
De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is.
Hij zegt in zijn hart; Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.
Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.
Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;
Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.
Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.
Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.
Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.
Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.
Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.
Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester. (1a) De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.
Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.
Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.
Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist.
Want zij hebben het land niet geerfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt.
Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.
[ (Psalms 49:21) De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. ]
Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;
Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen.
Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath. (1a) De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet.
Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan.
Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen.
Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.
God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.
De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.
Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.
Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.
Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.
De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.
Er zal onder u geen uitlands god wezen, en gij zult u voor geen vreemden god nederbuigen.
Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israels niet meer gedacht worde.
Onder de goden is niemand U gelijk, Heere! en er zijn geen gelijk Uw werken.
U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.
Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.
[ (Psalms 92:16) Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht. ]
Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.
Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;
Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.
Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis, die geen stad ter woning vonden;
Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper.
Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.
Mijn knieen struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is.
Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE.
Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.
Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.
Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.
Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.
Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.
Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel.
Dat onze ossen wel geladen zijn; dat geen inbreuk, noch uitval, noch gekrijs zij op onze straten.
Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.
Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.
Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de benen des mans.
Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!
En Hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (34)
- Exodus (49)
- Leviticus (56)
- Numberi (47)
- Deuteronomium (76)
- Jozua (27)
- Richteren (24)
- Ruth (3)
- 1 Samuël (47)
- 2 Samuël (18)
- 1 Koningen (36)
- 2 Koningen (29)
- 1 Kronieken (18)
- 2 Kronieken (33)
- Ezra (6)
- Nehemia (11)
- Esther (2)
- Job (47)
- Psalmen (72)
- Spreuken (40)
- Prediker (20)
- Hooglied (5)
- Jesaja (99)
- Jeremia (107)
- Klaagliederen (16)
- Ezechiël (42)
- Daniël (25)
- Hosea (14)
- Joël (2)
- Amos (7)
- Obadja (2)
- Jona (2)
- Micha (9)
- Nahum (4)
- Habakuk (3)
- Zefanja (8)
- Haggaï (38)
- Zacharia (9)
- Maleachi (4)
- Mattheüs (31)
- Markus (25)
- Lukas (38)
- Johannes (37)
- Handelingen (33)
- Romeinen (23)
- 1 Corinthiërs (35)
- 2 Corinthiër (10)
- Galaten (8)
- Efeziërs (7)
- Filippenzen (6)
- Colossenzen (1)
- 1 Thessalonicenzen (3)
- 2 Thessalonicenzen (1)
- 1 Timotheüs (9)
- 2 Timotheüs (1)
- Titus (4)
- Hebreeën (19)
- Jakobus (9)
- 1 Petrus (3)
- 2 Petrus (3)
- 1 Johannes (9)
- 3 Johannes (1)
- Judas (1)
- Openbaring (17)