'Bij' in de Bijbel
- 1.Genesis 3:12-Genesis 45:7
- 2.Genesis 47:30-Numberi 20:24
- 3.Numberi 21:12-Richteren 17:2
- 4.Richteren 17:10-1 Samuël 29:4
- 5.1 Samuël 29:6-2 Koningen 2:16
- 6.2 Koningen 2:17-Ezra 6:9
- 7.Ezra 8:3-Psalmen 42:7
- 8.Psalmen 42:8-Jesaja 27:12
- 9.Jesaja 28:19-Ezechiël 16:8
- 10.Ezechiël 16:22-Mattheüs 22:25
- 11.Mattheüs 23:16-Johannes 9:40
- 12.Johannes 10:3-2 Corinthiër 7:12
- 13.2 Corinthiër 7:14-Openbaring 21:3
Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens.
Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.
[ (Psalms 51:20) Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. ]
Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth; (1a) Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons? (1b) O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.
God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.
[ (Psalms 61:9) Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag. ]
[ (Psalms 63:12) Maar de koning zal zich in God verblijden; een iegelijk, die bij Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond der leugensprekers zal gestopt worden. ]
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!
Geloofd zij de HEERE; dag bij dag overlaadt Hij ons. Die God is onze Zaligheid. Sela.
Die God is ons een God van volkomene Zaligheid; en bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.
Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;
Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.
Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn den kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela.
Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!
Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor den opperzangmeester, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, den Ezrahiet. (1a) O HEERE, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U.
Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van Uw heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een verkorene uit het volk verhoogd.
Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!
HEERE! waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die Gij David gezworen hebt bij Uw trouw?
Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.
Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?
Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.
Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.
Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.
Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.
Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.
De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd.
Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?
De HEERE is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten.
Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.
Een lied Hammaaloth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israel,
Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;
De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.
En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.
Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
Israel hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.
De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.
En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.
[ (Psalms 142:8) Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben. ]
Ik gedenk aan de dagen van ouds; ik overleg al Uw daden; ik spreek bij mijzelven van de werken Uwer handen.
Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.
Dat onze winkelen vol zijnde, den enen voorraad na den anderen uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze hoeven vermenigvuldigen.
Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.
Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen.
Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.
Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is.
Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.
Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;
Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.
Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.
Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;
De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.
Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.
Gerechtigheid en recht te doen is bij den HEERE uitgelezener dan offer.
Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw.
Bij wien is wee? bij wien och arme? bij wien gekijf? bij wien het beklag? bij wien wonden zonder oorzaak? bij wien de roodheid der ogen?
Bij degenen, die bij den wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengde drank na te zoeken.
Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.
Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.
Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en edik op salpeter.
De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet aangaat, is gelijk die een hond bij de oren grijpt.
Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.
De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.
Er is geen gedachtenis van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen, die zijn zullen, van dezelve zal ook geen gedachtenis zijn bij degenen, die namaals wezen zullen.
En ik werd groot, en nam toe, meer dan iemand, die voor mij te Jeruzalem geweest was; ook bleef mijn wijsheid mij bij.
Ziet, dit heb ik gevonden, zegt de prediker, het ene bij het andere, om de sluitrede te vinden;
Want voor dengene, die vergezelschapt is bij alle levenden, is er hoop; want een levende hond is beter dan een dode leeuw.
Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot bij mij:
Zeg mij aan, Gij, Dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen?
Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen.
Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao.
Ik bezweer u, gij, dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve luste!
Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste!
Bij Mij van den Libanon af, o bruid! kom bij Mij van den Libanon af; zie van den top van Amana, van den top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden.
Zijn ogen zijn als der duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kasjes der ringen.
Uw hals is als een elpenbenen toren, uw ogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die tegen Damaskus ziet.
Deze uw lengte is te vergelijken bij een palmboom, en uw borsten bij druif trossen.
Wee dengenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn!
Dewijl dit volk veracht de wateren van Siloa, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en den zoon van Remalia;
En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven.
Gij zult bij dezelve niet gevoegd worden in de begrafenis; want gij hebt uw land verdorven, en uw volk gedood; het zaad der boosdoeners zal in der eeuwigheid niet genoemd worden.
Het papiergewas bij de stromen, aan de oevers der stromen, en al het gezaaide aan de stromen, zal verdrogen; het zal weggestoten worden, en niet meer zijn.
En hij riep: Een leeuw, Heere! ik sta op den wachttoren geduriglijk bij dag, en op mijn hoede zet ik mij ganse nachten.
Te dien dage zal er een wijngaard van roden wijn zijn; zingt van denzelven bij beurte.
Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem te gelijk verbranden zou?
En het zal te dien dage geschieden, dat de HEERE dorsen zal, van den stroom der rivier af tot aan de rivier van Egypte; doch gijlieden zult opgelezen worden, een bij een, o gij kinderen Israels!
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 3:12-Genesis 45:7
- 2.Genesis 47:30-Numberi 20:24
- 3.Numberi 21:12-Richteren 17:2
- 4.Richteren 17:10-1 Samuël 29:4
- 5.1 Samuël 29:6-2 Koningen 2:16
- 6.2 Koningen 2:17-Ezra 6:9
- 7.Ezra 8:3-Psalmen 42:7
- 8.Psalmen 42:8-Jesaja 27:12
- 9.Jesaja 28:19-Ezechiël 16:8
- 10.Ezechiël 16:22-Mattheüs 22:25
- 11.Mattheüs 23:16-Johannes 9:40
- 12.Johannes 10:3-2 Corinthiër 7:12
- 13.2 Corinthiër 7:14-Openbaring 21:3