'Heeren' in de Bijbel
- 1.Genesis 4:16-Exodus 40:38
- 2.Leviticus 1:3-Leviticus 27:30
- 3.Numberi 3:4-Numberi 31:47
- 4.Numberi 31:50-Deuteronomium 29:25
- 5.Deuteronomium 29:27-Richteren 6:12
- 6.Richteren 6:21-1 Samuël 22:21
- 7.1 Samuël 23:18-1 Koningen 13:2
- 8.1 Koningen 13:5-2 Koningen 12:14
- 9.2 Koningen 12:16-1 Kronieken 16:39
- 10.1 Kronieken 16:40-2 Kronieken 19:8
- 11.2 Kronieken 19:9-2 Kronieken 36:12
- 12.2 Kronieken 36:14-Psalmen 106:40
- 13.Psalmen 107:2-Jesaja 28:14
- 14.Jesaja 30:9-Jeremia 13:17
- 15.Jeremia 14:1-Jeremia 50:13
- 16.Jeremia 50:15-Ezechiël 34:7
- 17.Ezechiël 34:9-Zacharia 4:8
- 18.Zacharia 4:10-Handelingen 19:23
- 19.Handelingen 21:14-Openbaring 11:15
Dat zulks de bevrijden des HEEREN zeggen, die Hij van de hand der wederpartijders bevrijd heeft.
Die zien de werken des HEEREN, en Zijn wonderwerken in de diepte.
Wie is wijs? Die neme deze dingen waar; en dat zij verstandelijk letten op de goedertierenheden des HEEREN.
Gimel. De werken des HEEREN zijn groot; Daleth. zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben.
Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.
Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.
De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;
Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.
Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.
Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.
Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.
Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.
Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!
Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!
Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
In de tenten der rechtvaardigen is een stem des gejuichs en des heils; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.
De rechterhand des HEEREN is verhoogd; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.
Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.
Dit is de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan.
Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.
Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.
Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israels, om den Naam des HEEREN te danken.
Om des huizes des HEEREN, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.
Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.
En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.
Een lied Hammaaloth. Ziet, looft den HEERE, alle gij knechten des HEEREN! gij, die allen nacht in het huis des HEEREN staat.
Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!
Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!
Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?
En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.
Thau. Mijn mond zal den prijs des HEEREN uitspreken, en alle vlees zal Zijn heiligen Naam loven in der eeuwigheid en altoos.
Dat zij den Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen.
Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel.
De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.
Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning der rechtvaardigen zal Hij zegenen.
Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.
De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.
De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen; maar de jaren der goddelozen worden verkort.
De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen.
De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.
Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.
De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.
Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk.
De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden.
In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.
De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.
Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.
Het loon der nederigheid, met de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.
De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.
Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN.
Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN.
Hoort des HEEREN woord, gij oversten van Sodom! neemt ter ore de wet onzes Gods, gij volk van Gomorra!
Maar indien gij weigert, en wederspannig zijt, zo zult gij van het zwaard gegeten worden; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.
En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien.
En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.
Komt, gij huis van Jakob, en laat ons wandelen in het licht des HEEREN.
Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des HEEREN, en om de heerlijkheid Zijner majesteit.
Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde;
Dan zullen zij in de spelonken der rotsstenen gaan, en in de holen der aarde, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken.
Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.
Te dien dage zal des HEEREN SPRUIT zijn tot sieraad en tot heerlijkheid, en de vrucht der aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israel.
En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk des HEEREN niet, en zij zien niet op het maaksel Zijner handen.
Daarom, gelijk de tong des vuurs den stoppel verteert, en het kaf door de vlam verdaan wordt, alzo zal hun wortel als een uittering wezen; en hun bloem zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet des HEEREN der heirscharen, en de rede des Heiligen van Israel versmaden.
Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft tegen hetzelve Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als drek in het midden der straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij henen.
Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver des HEEREN der heirscharen zal zulks doen.
Vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel des vuurs: de een zal den ander niet verschonen.
En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN.
En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen.
Men zal nergens leed doen noch verderven op den gansen berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
Huilt gijlieden, want de dag des HEEREN is nabij; hij komt als een verwoesting van den Almachtige.
Ziet, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en deszelfs zondaars daaruit te verdelgen.
Daarom zal Ik den hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, en vanwege den dag Zijns hittigen toorns.
En de volken zullen hen aannemen, en in hun plaats brengen; en het huis Israels zal hen erfelijk bezitten in het land des HEEREN tot knechten en tot maagden; en zij zullen gevangen houden degenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heersen over hun drijvers.
Te dien tijd zal den HEERE der heirscharen een geschenk gebracht worden van het volk, dat getrokken is en geplukt, en van het volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven; tot de plaats van den Naam des HEEREN der heirscharen, tot den berg Sion.
Te dien dage zullen de Egyptenaars zijn als de vrouwen; en zij zullen beven en vrezen vanwege de beweging van de hand des HEEREN der heirscharen, welke Hij tegen hen bewegen zal.
En het land van Juda zal den Egyptenaren tot een schrik zijn; zo wie het vermelden zal, die zal in zichzelven bevreesd wezen vanwege den raad des HEEREN der heirscharen, dien Hij tegen hen beraadslaagd heeft.
Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid des HEEREN zullen zij juichen van de zee af.
Daarom eert den HEERE in de valleien, in de eilanden der zee den Naam des HEEREN, des Gods van Israel.
Want de hand des HEEREN zal op dezen berg rusten; maar Moab zal onder Hem verdorst worden, gelijk het stro verdorst wordt tot mest.
Wordt den goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een gans richtig land, en hij ziet de hoogheid des HEEREN niet aan.
Zo zal hun het woord des HEEREN zijn; gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig; opdat zij heengaan, en achterwaarts vallen, en verbreken, en verstrikt en gevangen worden.
Daarom, hoort des HEEREN woord, gij bespotters, gij heersers over dit volk, dat te Jeruzalem is!
Zoekresultaten vervolgd...
- 1.Genesis 4:16-Exodus 40:38
- 2.Leviticus 1:3-Leviticus 27:30
- 3.Numberi 3:4-Numberi 31:47
- 4.Numberi 31:50-Deuteronomium 29:25
- 5.Deuteronomium 29:27-Richteren 6:12
- 6.Richteren 6:21-1 Samuël 22:21
- 7.1 Samuël 23:18-1 Koningen 13:2
- 8.1 Koningen 13:5-2 Koningen 12:14
- 9.2 Koningen 12:16-1 Kronieken 16:39
- 10.1 Kronieken 16:40-2 Kronieken 19:8
- 11.2 Kronieken 19:9-2 Kronieken 36:12
- 12.2 Kronieken 36:14-Psalmen 106:40
- 13.Psalmen 107:2-Jesaja 28:14
- 14.Jesaja 30:9-Jeremia 13:17
- 15.Jeremia 14:1-Jeremia 50:13
- 16.Jeremia 50:15-Ezechiël 34:7
- 17.Ezechiël 34:9-Zacharia 4:8
- 18.Zacharia 4:10-Handelingen 19:23
- 19.Handelingen 21:14-Openbaring 11:15
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (30)
- Exodus (70)
- Leviticus (100)
- Numberi (114)
- Deuteronomium (100)
- Jozua (64)
- Richteren (47)
- Ruth (1)
- 1 Samuël (88)
- 2 Samuël (39)
- 1 Koningen (108)
- 2 Koningen (115)
- 1 Kronieken (68)
- 2 Kronieken (161)
- Ezra (17)
- Nehemia (6)
- Job (5)
- Psalmen (107)
- Spreuken (27)
- Hooglied (1)
- Jesaja (101)
- Jeremia (147)
- Klaagliederen (9)
- Ezechiël (96)
- Daniël (5)
- Hosea (9)
- Joël (12)
- Amos (8)
- Obadja (2)
- Jona (6)
- Micha (14)
- Nahum (1)
- Habakuk (2)
- Zefanja (10)
- Zacharia (35)
- Maleachi (9)