'De' in de Bijbel
De spreuken van Salomo, den zoon van David, den koning van Israel,
Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.
De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;
Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.
De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten.
Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;
Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?
Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.
Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.
Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.
Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;
Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprechtelijk wandelen;
Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren.
Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;
Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;
Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin overblijven;
Maar de goddelozen zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de trouwelozen zullen er van uitgerukt worden.
Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten.
En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
Vereer den HEERE van uw goed, en van de eerstelingen al uwer inkomsten;
Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft.
Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud.
De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid.
Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.
Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.
Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.
Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte.
De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning der rechtvaardigen zal Hij zegenen.
Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven.
De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.
Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.
Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;
En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!
En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!
Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten;
Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.
Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;
Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.
Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.
Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.
Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.
Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:
Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;
Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.
Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;
Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;
Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;
Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.
Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.
Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.
Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:
Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.
Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.
De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
Zoekresultaten op Versies
Zoekresultaten op Boek
- Genesis (765)
- Exodus (777)
- Leviticus (549)
- Numberi (871)
- Deuteronomium (641)
- Jozua (436)
- Richteren (459)
- Ruth (52)
- 1 Samuël (554)
- 2 Samuël (448)
- 1 Koningen (551)
- 2 Koningen (532)
- 1 Kronieken (614)
- 2 Kronieken (616)
- Ezra (213)
- Nehemia (281)
- Esther (143)
- Job (509)
- Psalmen (1153)
- Spreuken (508)
- Prediker (132)
- Hooglied (74)
- Jesaja (880)
- Jeremia (956)
- Klaagliederen (87)
- Ezechiël (892)
- Daniël (256)
- Hosea (102)
- Joël (56)
- Amos (111)
- Obadja (14)
- Jona (29)
- Micha (69)
- Nahum (35)
- Habakuk (40)
- Zefanja (37)
- Zacharia (146)
- Maleachi (44)
- Mattheüs (586)
- Markus (341)
- Lukas (545)
- Johannes (457)
- Handelingen (600)
- Romeinen (232)
- 1 Corinthiërs (224)
- 2 Corinthiër (115)
- Galaten (75)
- Efeziërs (86)
- Filippenzen (31)
- Colossenzen (56)
- 1 Thessalonicenzen (33)
- 2 Thessalonicenzen (25)
- 1 Timotheüs (59)
- 2 Timotheüs (43)
- Titus (26)
- Filémon (8)
- Hebreeën (182)
- Jakobus (65)
- 1 Petrus (62)
- 2 Petrus (44)
- 1 Johannes (63)
- 2 Johannes (6)
- 3 Johannes (11)
- Judas (17)
- Openbaring (292)
Verwante onderwerpen
- Aframmeling
- Angst Voor God
- Beslissingen Nemen
- Beste Vrienden
- De Angst Voor De Heer
- De Rechtvaardigen
- De Rijken
- De kracht Van Vrouwen
- Discipline Kind
- Dwazen
- Een Goede Man
- Een Goede Vrouw
- Geld Sparen